Seksegelijkheid op de Europese agenda
30-10-08 - Seksegelijkheid bevorderen en zo Europa democratischer maken. Die kans zien velen in de Europese parlementsverkiezingen van volgend jaar. Bij een moderne democratie hoort immers ook een gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in de besluitvorming. Drs. Margit van der Steen van AETAS, bureau voor leeftijdsvraagstukken, gender en diversiteit, gaat dieper in op dit thema:
50/50 campagne
Europa kiest in 2009 een nieuw Europees Parlement (EP). Volgens velen dé kans om een gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen te bevorderen. Niet voor niets zette minister Plasterk zijn handtekening onder de 50/50-campagne van de grootste Europese vrouwenorganisatie, de Europese Vrouwen Lobby. De minister staat daarin niet alleen: tientallen andere prominenten zetten ook een handtekening.
Vrouwelijke én mannelijke hoogwaardigheidsbekleders van uiteenlopende politieke kleuren steunen de oproep voor gelijke vertegenwoordiging. Zoals de socialistische, Zweedse vicepresident van de Europese Commissie Margot Wallstrom, de Belgische minister-president Yves Leterme, de liberale eurocommissaris Neelie Kroes en haar Slowaakse collega Vladimir Spidla.
De 50/50-campagne heeft ook de steun van maatschappelijke organisaties en wetenschappers. Onder wie de Zweedse hoogleraar Drude Dahlerup, een toonaangevende deskundige op het gebied van quota. Op verzoek van de vrouwencommissie in het EP analyseerde Drahlerup samen met enkele collega's bovendien de gevolgen van de invoering van vrouwenquota in het kiesstelsel in acht Europese landen. Met de Europese verkiezingen in aantocht leveren de conclusies van dat rapport genoeg stof tot nadenken.
Conclusie 1: 'Quota leiden tot snelle toename vrouwelijke beslissers, maar sancties zijn nodig'
Quota kunnen zorgen voor een zeer snelle toename van vrouwen in de politieke besluitvorming. Hoe controversieel ook, bijna de helft van alle landen ter wereld werkt met een of andere voorkeursregeling. Europa loopt daarbij wat achter. Vijf Europese landen kennen wettelijke quota. Wel hanteren politieke partijen in diverse landen vrijwillig eigen voorkeursregels. Maar quota alleen zijn niet zaligmakend. Om echt effect te sorteren zijn bijvoorbeeld goede sancties nodig. En aansluiting bij de regels van het nationale kiesstelsel. Ook aanvullende maatregelen, zoals actieplannen van politieke partijen, leggen gewicht in de schaal, zo blijkt uit het rapport.
Conclusie 2: 'Quota stigmatiseren vrouwen niet'
Wie het over quota heeft, krijgt vroeg of laat altijd te horen dat vrouwen daar last van zullen krijgen. Drude Dahlerup en haar collega's kunnen dit vooroordeel ontzenuwen: quota stigmatiseren vrouwen niet. Na de verkiezingen wordt namelijk zelden aandacht besteed aan de manier waarop de leden van het parlement zijn gekozen. Sekse is dan één factor, naast zovele andere. Stigmatisering vindt vooral plaats in landen waar een negatieve houding bestaat ten opzichte van vrouwelijke politici. Hoe ze zijn gekozen doet er dan weinig toe.
Conclusie 3: 'Groot verschil effect geleidelijk bouwen en harde maatregelen'
In enkele landen is dankzij quota het aandeel van vrouwen in nationale parlementen spectaculair gestegen. Zoals in Argentinië. Daar steeg het aantal vrouwelijke parlementariërs van 5% in 1995 naar 34% in 2003. Het aandeel vrouwelijke parlementariërs in Costa Rica steeg na de verkiezingen van 2003 van 19% naar 35 %. In datzelfde jaar steeg het aantal vrouwelijke Belgische parlementariërs van 23% naar 35%.
Afrika heeft de mondiale primeur: in Rwanda zijn inmiddels meer vrouwelijke parlementariërs dan mannelijke. In vergelijking met deze cijfers komen de Scandinavische landen - van oudsher kampioen gelijke kansen- er bekaaid af. In de Noord-Europese landen duurde het ongeveer zestig jaar voordat vrouwen meer dan 20% van de zetels in het parlement bekleden. En nog eens tien jaar voordat de grens van 30% was overschreden.
Een blik op de achterliggende visies en strategieën verklaart het verschil. De Scandinavische landen investeerden tientallen jaren geleden al in de kwaliteiten van vrouwen. Zodat ze toegerust waren om politiek actief te kunnen zijn. Dankzij 'capacity building' zouden vanzelf meer vrouwen in de politiek terecht komen. Zo ontstond langzaam maar zeker gelijkheid tussen de seksen.
In landen als Argentinië en België dacht men anders. Seksegelijkheid zou niet vanzelf tot stand komen, was hier de gedachtegang. Niet omdat er onvoldoende goede vrouwen zouden zijn, maar door discriminatie en uitsluiting. En dát vraagt om een actieve bestrijding. Alleen met hardere maatregelen als quota is dan gelijkheid tussen vrouwen en mannen te bereiken.
Conclusie 4: 'Beide modellen werken'
Beide modellen werken. Al vraagt de Scandinavische weg wel meer geduld en uithoudingsvermogen. Het succes van zowel de langzame als de snelle route laat ook zien dat oplossingen die in het ene land geschikt zijn, elders niet werken.
Een ding is duidelijk: het is belangrijk eerst goed te analyseren wat het echte probleem is. Is een gebrek aan vrouwen met voldoende kwaliteiten de oorzaak, dan is het zinvol in vrouwen te investeren. Maar is er sprake van discriminatie en uitsluiting, dan kan men wel tot sint jutemis wachten. Dan maakt het niet uit hoe geschikt vrouwen zijn, ze zullen altijd buiten de boot vallen. Niet de vrouwen zijn dan het probleem, maar de manier waarop politieke instellingen werken. Dat moet dan worden aangepakt. Harde maatregelen werken dan als breekijzer.
